Winnende verhaal

De glimlach

Ik fiets door Nunspeet heen, op naar het volgende projectbezoek. De lente is begonnen en de bomen zijn prachtig. Wat is Nunspeet toch een prachtig dorp. Ik parkeer mijn fiets naast het bouwvallige schuurtje. Het schuurtje blijft nog maar net rechtop staan. Een flinke trap tegen de zijkant aan, en hij ligt omver….De tuin is al net zo bouwvallig. Het onkruid staat tot aan mijn knieën.

De verzorging had aangegeven dat ik maar achterom moest komen. Ik open de achterdeur. Het is nog stil beneden. Ik  maak expres wat lawaai, zodat ze niet een rolberoerte krijgt. “Ze” is een  (tandenloos) vrouwtje van ver in de tachtig… ‘Joehoe’, roep ik een paar keer. ‘Ik kom eraan!’ In de slaapkamer tref ik haar aan, samen met haar verzorger. Ineengekrompen onder de dekens. Ze doet haar ogen open en ik breek door wat ik zie. Doffe, kille ogen. Geen sprankje van leven is hierin terug te vinden. Ze huilt stilletjes. Ik plof naast haar neer op een stoel. Ik  weet even geen woorden te vinden. Moedeloos word ik ervan. Van buiten oog ik rustig, maar van binnen kook ik. Ook de ogen van de verzorgster zeggen genoeg, later hoor ik het verhaal. ‘Hoe vaak hebben we onze zorgen niet geuit over deze situatie? Deze vrouw is zwaar depressief en geeft dikwijls aan het leven niet meer aan te kunnen. En dan hangen we weer iedere dag aan de telefoon, met de huisarts, verpleegkundig specialist of psychiater. Maar er gebeurt niets. Nou ja niets, de verpleegkundige interventies voeren we keurig iedere dag uit, maar de grootste  interventie…de psychische nood, daar gaan we met z`n allen aan voorbij”, zegt de verzorgster

Deze vrouw zou veel beter af zijn op een plek waar ze  persoonlijke aandacht krijgt, waar ze gestimuleerd wordt in activiteiten, waar ze haar verhaal kwijt kan. En jammer genoeg is dat niet meer thuis. Maar ja, het vorige kabinet heeft een nobel plan bedacht: ouderen moeten zo lang mogelijk thuis blijven wonen. Ik krijg er de rillingen van. Als je oude, depressieve mensen aan hun lot overlaat, moet je wèl zorgen dat je ze wat te bieden hebt. De twee zorgmomenten die ze per dag komen verlenen is hier echt niet toereikend. En wij, de wijkverpleging en onder andere Present willen zo graag anders, maar zijn niet bij machte om dit systeem te doorbreken.

Voor mij is het duidelijk en ga een groep zoeken die in ieder geval wil beginnen met de tuin op te ruimen. Een klein weekje later is er een groep statushouders beschikbaar. Wat heb ik een ontzag voor deze mannen, weer of geen weer of warmte van afgelopen zomer, Ramadan het maakt ze niks uit, elke twee weken staan ze weer paraat. En zo ook deze donderdagochtend gaan ze daar aan de slag. Al snel komt mevrouw voor het raam zitten en kijkt naar buiten. Tijdens de theepauze probeert een van de statushouders Yadi een gesprek aan te gaan met de hulpontvanger, ondanks de taalbarrière is er een klik. Yadi komt terug en zegt tegen mij: ‘Ik denk dat mijn vrouw wel met haar richting het park wil gaan’ en voor dat ik het kon overleggen had hij al gebeld.

En zo stond Sahira binnen in no time op de stoep. Mevrouw wil niet, maar ‘moet’ van de verzorging. Weg uit deze donkere huiskamer, waar de muren op haar afkomen. We kunnen haar niet in dit duistere huis laten wegkwijnen.
Ze gaan naar buiten. Ze gaan zitten op een bankje in het park. Langzamerhand ontspant ze. Ze laat haar lichaam naar achteren vallen en kijkt omhoog. Ik zie dat ze haar hand op de hand van Sahira legt, ze mompelt zacht: ‘Kijk zuster, wat een mooie blauwe lucht.’ Ik denk: ‘Wat is dit gaaf, een stukje persoonlijke aandacht in een veilige omgeving.’ Als ik naar de dames samen kijk, bedenk ik hoe makkelijk twee verschillende werelden bij elkaar kunnen komen. Prachtig! Ze draait zich naar mij toe…..èn glimlacht.